Mijn herinnering ....



Toen de vraag kwam om mijn herinneringen aan Gieten aan het papier toe te vertrouwen heb ik geaarzeld. Ze zijn in de loop van de jaren wat vergeeld. Daarbij komt dat de laatste die zijn herinneringen met ons deelde, Frederik Bos, een generatiegenoot is. We zijn een deel samen opgegroeid, speelden (vaak samen) dezelfde spelletjes, kwamen op dezelfde plaatsen.
Dat betekent dat de aandachtige lezer zoiets zal hebben van: "waar heb ik dat eerder gelezen". Maar ik ga toch maar een poging wagen om aan de vraag te voldoen. Voor veel lezers zal ik een volledig onbekende zijn, anderen zullen diep moeten graven om zich mij te herinneren.
Het was in augustus 1949 toen ik, net vijf jaar oud, met mijn ouders, mijn zus uit Den Haag neerstreek in Gieten. Om wat preciezer te zijn op het adres Bonnen 13. Uit de stad naar het platteland. Heel prettig was het om in de buurt een aantal leeftijdsgenoten te ontmoeten. Naast ons bakker Kamphuis met zijn gezin, iets verder op de familie Harderingh. In de boerderij aan de kant van het dorp woonde de familie Reimers. Zij verhuisden naar de Noordoostpolder om daar verder te boeren. Aan de overkant van de straat een schilder, een slager en een kolenhandel. En voor een kind veel belangrijker, een zee van ruimte om te spelen.

Achter de bakkerij van Kamphuis stond de molen. De kap en wieken ontbraken, maar de molen was volop in gebruik. Molenaar was Willen Schuiling, die het graan bij de boeren haalden, het vermaalde tot meel om het daarna weer terug te brengen. Dat alles nog met paard en wagen.

In die tijd is ook, tussen Kamphuis en Harderingh, het KI station in Bonnen gebouwd. Als ik het goed heb heeft dat pand al lange tijd een totaal andere bestemming. De kunstschilder Van Dulmen Krumpelman (sr) uit Zeegse heeft er destijds een schilderij van gemaakt. Het heeft een tijdlang gehangen in de werkkamer van de directeur van de melkfabriek. Waar het nu is, geen idee.
Als kinderen stonden we bij de schilder te kijken. Wat me bij is gebleven dat hij ons aanraadde om het met "kunstogen" te bekijken.

Samen met onder andere Eddy Kamphuis en Fred Bos begon ik aan de lagere school in Bonnen. Juffrouw Houwing in de klassen een en twee, meester Reugenbrink in drie en vier en meester Willering in wat nu de bovenbouw wordt genoemd, de klassen vijf en zes. Spelen op het schoolplein aan de straatkant, en soms mocht er worden gevoetbald op het tegelplein aan de achterkant. In de herfst als de appels en peren rijp waren ging de bal wat vaker over de heg in de tuin van de familie Eling. Daar stonden flink wat fruitbomen en de bal ging samen met de broekzakken vol appels mee terug.

In de winter speelden en als kon schaatsten we op de gracht rond het weiland van Karssens. Weer wat later werd dat de ijsbaan. De gracht liep tot aan de woning die nu Klein Hilbingshof wordt genoemd. Toen was dat "het huis achter de gracht". In het dialect klinkt dat overigens veel mooier. Ook werd er in dat weiland veel gevoetbald. Een paar jassen deden dienst als "doelpalen".

Uit die tijd herinner ik me ook goed het "zetten van de korenbulten" op de Hondsrug, de dorsmachine en de pakken stro waar we op speelden.
Als het koren van het land was, was het tijd voor het vliegeren en dan wat later de vliegerwedstrijd. Vliegers in alle maten en modellen werden er gebouwd. Inleveren bij het cafe in Bonnen. Een "deskundige" jury kende prijzen toe voor de mooiste ontwerpen in een aantal categorieen. Dan, op de dag van de wedstrijd werd door stelmaker Dijkhuizen in graden, de stand van de vlieger gemeten. Ook daar was weer een prijs te verdienen. Iedereen had een zelfde lengte aan vliegertouw tot zijn of haar beschikking. Dat werd gemeten vanaf het cafe op de Boddeveld richting Grote Kamp. Om de juiste lengte aan te geven ging er een draadje gekleurd garen omheen. Steekproefsgewijze werd dat na afloop bij de winnaars nagemeten.

Zo halverwege de maand juni hoorde je ineens wat geratel aan de fietsen van de jeugd. De TT was in aantocht. Een leeg schoensmeerdoosje, wat elastieken geknipt van een kapotte binnenband en een deel van een wasknijper waren de onderdelen. Het geheel werd vastgezet aan een stangetje van het spatbord van de fiets, en klaar waren we voor de wedstrijd. Het rondje dat gereden moest worden startte bij het cafe, door Bonnen richting de kerk en afslaan over het zandpad langs de ijsbaan naar de Boddeveld en dan weer terug naar het cafe. Het fietszadel maakte plaats voor een racezadel bestaande uit een gevouwen jutezak en werd soms het stuur omgekeerd op de fiets gezet.

In de aanloop naar de TT zaten de hotels in de plaatsen rond Assen, en dus ook Gieten, vol met de verschillende motorteams. Kijken naar de racemotoren, handtekeningen van de rijders scoren en vooral het verzamelen van petjes en speldjes was dan een geliefde bezigheid.

Geliefde speelplekken waren het Bonnerveld, het Soldatenbosje en het Noordhegenbos. Daar werden hutten gemaakt in de grond, alles werd afgedekt met dikke takken en blad van varens.

Zonder ook maar over enig talent te beschikken was ik lid van de gymnastiekvereniging "Sparta". Jaarlijks een uitvoering in cafe Vorenkamp. Cafe Vorenkamp was ook de plaatselijke bioscoop. In het weekend werd daar regelmatig een film gedraaid. Als het je gelukt was om een poster van de film, die bij verschillende winkels werd opgeplakt, te bemachtigen, dan was de entree gratis.
Goede herinneringen bewaar ik aan de jaarwisselingen met het carbidschieten en het slepen. Alles wat los stond bij bijvoorbeeld boerderijen werd voorzichtig meegenomen en ergens anders neergezet. Grote kans dat anderen het bijna weer terugbrachten waar het vandaan kwam.

Zo tegen de Pasen werd er begonnen met het verzamelen van alles wat maar wilde branden. Bij een boer werd gevraagd of we een wagen mochten gebruiken en dan ging het eigenlijk van huis naar huis om brandbaar materiaal op te halen. Een bezoek aan het afvalgat aan de Bonnerdijk leverde veel op. Udema stortte daar regelmatig allerlei bouwmaterialen. Het paasvuur dat werd gebouwd op de hoek van twee zandwegen (nu Meulenpad en Hagedoorn), moest breed en hoog worden. Ook daar was er sprake van een soort competitie met, als ik het goed onthouden heb, o.a. de Gasselterweg en de Spekstoep. De oudste inwoner van Bonnen stak het vuurtje aan. De dagen na Pasen zaten we nog rond de resten van het paasvuur, nabranden heette dat.

In Bonnen heb ik vervolgens gewoond op nummer 33 en 48. Naast Bonnen 33 had de familie Stel een kampeerboerderij en een kruidenierswinkeltje. De laatste jaren woonde ik, in wat nu een bouwval is, het boerderijtje Bonnen 48.

Rond de jaarwisseling 1986/1987 is de laatste vaste bewoonster, in de persoon van mijn moeder, daar vertrokken. Sindsdien staat het feitelijk leeg en is het overgeleverd aan de invloed van weer en wind. Het resultaat daarvan is na bijna 35 jaar goed zichtbaar en spreekt voor zich.
Na mijn schooltijd ben ik gaan werken in Assen, bij de belastingdienst. Al vrij snel daarna lag er een oproep voor militaire dienst op de mat. De belastingdienst heb ik vervolgens verruild voor een baan bij de gemeente. In 1968 eindigde mijn tijd in Gieten. Met een grote regelmaat kwam ik de jaren daarna nog in Gieten, maar op een bepaald moment eindigt die binding. Nu rijd ik af en toe nog eens om voor een bezoekje aan een dorp waaraan ik goede herinneringen bewaar. Maar het is niet meer hetzelfde dorp van destijds. Het is uitgebreid, er is gesloopt en nieuw gebouwd, mensen zijn vertrokken en anderen zijn gekomen. Wat wil je als we intussen ruim een halve eeuw verder zijn.

En na wat omzwervingen uiteindelijk terecht gekomen in Rhenen.

Herman Franken.