De Hondsrug -3:
van de schrijver

'De bult' homt ook voor in de Nederlandse literatuur. In het boek 'De nakomer' van Maarten 't Hart kunnen we op pagina 54-55 lezen over de gedenkwaardige ontmoeting die Simon Minderhoud (in de jaren twintig) had met een aantal jeugdige Gieters.

Zonder dat hij Sieberig er iets van liet weten, fietste hij een keer via Eext naar Gieten. Hij doorkruiste het plaatsje zo snel mogelijk. Gieten bleek vooral uit een Brink te bestaan, met vrijwel verwaarloosbare zijstraten. Op de Brink staken kolossale linden hun kruinen fier ten hemel, als om te verbloemen dat Gieten verder niets voorstelde. Aan de oostrand van het dorp stond hij een poosje uit te kijken over de Oude Weglanden, zich erover verbazend dat het daar leek alsof de aardbol scheef hing. Terwijl hij daar mijmerde kwamen er, zwaar stappend, twee jongens van zijn leeftijd naderbij. Verderop zag hij nog een paar andere jongens die in zijn richting slenterden. Het leek tijd om op te stappen, maar toen hij dat wilde doen, greep een van de jongens het stuur van zijn fiets. 'Pak op pens hebben?' vroeg die belangstellend. Waarop de ander er, terwijl het met een stok op de straatstenen hamerde, aan toevoegde: 'Wat om je ribben hebben?' Simon keek de jongens aan, hij kende dit type vuistridders, ze waren ook te Anloo inheems, ze hadden hem aldaar dezelfde vragen gesteld. Maar bij vragen was het altijd gebleven, omdat de vuistridders drommelsgoed wisten dat hij de zoon was van de gemeentesecretaris. Hier, te Gieten, wisten ze dat niet en zou het als hij het vertelde waarschijnlijk nauwelijks indruk maken. Hier bestond de mogelijkheid dat hij aan den lijve zou moeten ondervinden wat 'pak op pens' inhield.

Hij stond daar naast zijn fiets, en besefte dat het er nu op aankwam. Er was sprake van overmacht. Reeds naderden de andere slungelachtige Gietenaren van zijn geslacht en leeftijd. Te Anloo had hij al de belangrijkste les geleerd: laat nimmer blijken dat je bang bent. Gedraag je alsof je zelfs niet beseft dat er gevaar dreigt. Hij wist hoe verbazend moeilijk dat was, hij wist dat een glinstering in je oog, een onwillekeurige beweging van je mond of een handgebaar je kon verraden. Hij wist dat die anderen angst zelfs konden ruiken. Maar zoveel was zeker: hij had te Anloo heel goed geleerd zijn angst te verbergen. Lef en laf, zei zijn vader, scheelden tenslotte maar een letter. Hier, te Gieten, zou hij dat kunnen bewijzen. 'Een pak op pens' of 'iets om je ribben', wat dan nog?

In plaats van achteruit te wijken, deed hij een stap naderbij. Zo vriendelijk moglijk glimlachend, vroeg hij: 'Weten jullie hier misschien een slager? Ik heb nog een stuiver, ik wil graag wat kaantjes kopen. Hebben jullie daar ook zin in?'

Verbazing, ongeloof, schrik bijna, tekenden zich af op de brede vlakke gezichten van het tweetal. Ze deinsden achteruit. Weer deed Simon een stap in hun richting. Hij zei: 'Of willen jullie wat anders? Tamme kastanjes?'

De twee Gietenaren draaiden zich om en liepen naar het peleton slungels dat zich iets verderop in een halve cirkel had opgesteld. 'Niet goed wies, ie is nie goed wies', hoorde Simon de een zeggen. De tweede voegde er aan toe:'Moe j' hem hoor'n schroet'n'

Dat vermocht de andere Gietenaren niet te overtuigen. Simon zag dat zij ieder moment in zijn richting konden rennen. Hij werd alsnog bang, en dat zou hij zich later weten te herinneren als een nederlaag. Hij sprong op zijn fiets, maakte dadelijk vaart, maar de horde rende al. Toch wist hij ze, dankzij het feit dat hij de Hondsrug afreed, net voor te blijven. Hij hoorde ze schreeuwen, loeien, bulderen. Een was er die hem wist in te halen, die zijn bagagedrager vermocht te grijpen. Met een snelle achterwaartse trap lukte het Simon zijn knokkels te treffen. Er klonk een onverstaanbare, Drentse vloek. De achtervolger liet los...

Uit: Maarten 't Hart, De nakomer, pagina 54-55

 

Voor op- en aanmerkingen of voor uw verhaal of herinnering ten aanzien van deze locatie doet u een e-mail in de brievenbus van "Het collectieve geheugen":