Persoonlijke notitie:
Tonnie Knoop over padvinders

Terug naar: Persoonlijke notities

Herinneringen aan de
Ben van Eysselsteyngroep
in Gieten (1)


De Ben van Eysselsteyngroep Gieten is opgericht op 2 april 1951. De groep was aangesloten bij het N.P.V., de Nederlandse Padvinders Vereniging.

Eén van de grote animators om tot een padvindersgroep in Gieten te komen was de hoofdonderwijzer van de Gieterschool, meester Pots. Het eerste uniform werd uitgereikt in de Gieterschool aan de Schoolstraat.

 

De eerste massale installatie vond plaats op 22 september 1951.

Bij de padvinderij was het zo dat je, als nieuweling, de eerste maanden met een witte das moest lopen, zodat men kon zien dat je een nieuweling was. Officieel had het, denk ik, een andere betekenis, maar voor ons kwam het wel zo over. Je was nieuw, dus een witte das. Iedereen liep dus tot 22 september 1951 met een witte das, ook de leiding.

Na de installatie werd de witte das omgeruild voor een das in de kleur violet. Wij kunnen ons niet herinneren of Ben van Eysselsteyn bij die installatie aanwezig was.

Leiding

De groep bestond uit welpen (van 8 tot 12 jaar) en verkenners (12 jaar en ouder). Hoeveel leden er in het begin waren weet ik niet. De leiding in die tijd bestond uit Ali Jongens (Akela), Grietje Wagenaar (Raksha), Jan Dijkhuizen (vaandrig), Annie Warringa (Baloe), Ineke Pots (Haty), Gerrit Pots (Hopman), Loes Vos (?). En er zullen nog wel een paar geweest zijn, maar die namen schieten zo niet te binnen.

Verklaring van de namen leiding:

Hopman   – Leider van de verkenners
Vaandrig – Leiding verkenners
Akela – Wolvenleider (Leider van de welpen).
Baloe – de beer (leiding van de welpen)
Haty – de wilde olifant (leiding van de welpen)
Racsha   – (leiding van de welpen)
Bagheera – (leiding van de welpen)

troepmiddag

Ik behoorde de eerste paar jaar tot de welpen en de eerste activiteiten gebeurden vanuit de Gieterschool. Iedere week kwam de leiding op een avond bij elkaar om te bespreken wat er die zaterdag gedaan ging worden. Want ’s zaterdagsmiddags was troepmiddag. Meestal gingen we dan lopende naar het Zwanemeerbos en dan speciaal naar de Konijnenheuvel. Daar vond de opening van de middag plaats door de vlag te hijsen. Wat we daar verder deden, was vaak een spel. Dat kon zijn blikspuit, vlag veroveren of iets dergelijks. Ook werd er aandacht besteed aan de netheid (inspectie). Er werd dan gekeken of je je nagels en je oren schoon had of je tanden gepoetst waren, enz. En er werd aandacht besteed aan het aftekenen van je sterkaart. Op deze kaart stonden een aantal opdrachten die je moest leren en als je die onder de knie had werd die opdracht op de kaart afgetekend. Zo stonden er opdrachten op als het zingen van het Wilhelmus, de morsetekens kennen, schoenveters strikken, klokkijken, en ga zo maar door. Het onzinnigst vond ik 40 keer achteruit touwtje springen. Als de sterkaarten waren afgetekend, kon je nog totaal 12 insignes halen. Aan het eind van de middag liepen we dan weer terug naar de school waar ieder zijn fiets had staan.

kamperen

Bijna niemand van de nieuwe groep had wel eens gekampeerd. Dat was dus nieuw, zowel voor de padvinders als voor de ouders. Het eerste kamp werd dan ook in de buurt opgeslagen, namelijk in het Zwanemeerbos op het vroegere camping-terrein. Dat is rechts tegen het zwembad aan. De ouders mochten ‘s avonds komen kijken, om een indruk te krijgen van wat nu eigenlijk kamperen was. De welpen sliepen in de ronde tent en allemaal met de voeten naar de tentpaal toe. Dat vond men toch wel zo’n mooi gezicht.

troephuis

Al vrij snel, voor zover ik mij dat kan herinneren, kregen we een troephuis in een salonwagen, die achter de school in een weilandje van Jan en Alie Engelsman (broer en zus) was geplaatst. Jan en Alie woonden in een boerderijtje op de hoek van de Schoolstraat en de Ambachtsstraat.

Ook hebben we nog een tijdje het station in Gieten als troephuis gebruikt. Dat was heel interessant, want zaterdagsmiddags kwam er heel vaak een goederentrein vanaf Gasselte met wagons voor Udema. Stationschef Benning was dan op het station aanwezig en als je geluk had, dan mocht je helpen de spoorbomen bij de Gasselterweg naar beneden draaien. En als Benning even niet oplette dan hielp je even met het rangeren. De wagon die op weg was naar een zijspoor duwde je dan verder dan nodig was en daarna kwam die met een klap tegen de stootblok tot stilstand. Op dat moment kon je je maar beter uit de voeten maken.

In dat stationsgebouw hadden we één keer per week een avond voor de horde. Horde betekende de hele welpengroep. Op zo’n avond moest iedereen iets uitbeelden en dan moesten de anderen het raden. David Willemsen, zoon van de dominee in Gieten, maakte het kruis-gebaar en vouwde de handen. Hij vergiste zich daarna echter. Je mocht er namelijk niets bij zeggen maar David zei direct daarna ‘Amen’. Toen was het voor iedereen duidelijk.

Installatiediploma - welpen
Ik vertrouw, dat je als welp je best zult doen, om
alles wat je doet ook zoo goed mogelijk te doen

 

Installatiediploma - verkenners
'Ik vertrouw op je eer dat je de belofte zult naleven'

 

In 5 januari 1955 ging ik over van de welpen naar de verkenners. De installatie vond plaats in de sneeuw en natuurlijk liep je tijdens de installatie in de korte broek, want ‘dat hoorde zo’.

 

In welk jaar het was weet ik niet meer, maar we kregen een nieuw troephuis. Deze werd gebouwd bij het oude voetbalveld (waar nu Dekelhem staat).

 

In een stukje bos tussen Boddeveld
en het voetbalveld verrees het nieuwe
gebouwtje. Eerst de fundering metselen
en tot aan de goothoogte werd het
opgetrokken van spoorbielzen.
Daar bovenop zat een puntdak.

Ieder groepje welpen (een nest genoemd) en ieder groepje verkenners (een patrouille genoemd) had zijn eigen plek in het gebouw. Voor het gebouw was een mogelijkheid om de vlag te hijsen. Ook konden we alle tenten daar hangend opbergen. Het was een rijk bezit na al die omzwervingen door het dorp.

In de jaren 50 was het de gewoonte dat bijna iedere groep jaarlijks een feestavond organiseerde. Als groep werd je dan ook uitgenodigd. Vooral met Borger en Assen (Johannes Postgroep en De Zwervers) lagen er contacten. Je ging er dan op de fiets heen en middenin de nacht ging je met elkaar op de fiets weer terug. En niet over een fietspad, want die was er toen nog niet. De organiserende groep verkocht dan een zelfgemaakt kleinigheidje om de kas te spekken. Of soms ook voor een bepaald doel, zoals nieuwe uniformen, een nieuw troephuis, enz. Verkocht werd bijvoorbeeld bij een troepavond van onze groep een klein welpenpetje. Het geld dat bij de verkoop binnenkwam was bestemd voor de aankoop van uniformen voor leden die dat niet konden betalen. Als lid was dat bij jou niet bekend en dat was natuurlijk ook niet nodig.

Achter dat petje zat een lintje, zodat je die kon opspelden. Iedereen (wel of geen padvinder) liep die avond daar dan ook mee op.

Klik hier voor het vervolg