Persoonlijke notitie van
Henk Nijkeuter
over Udema

Terug naar: Persoonlijke notities

Zie ook: Udema-pagina

Op 4 september 1971 werd de 'hoel' van Udema omgelegd. Het Unilever-concern vond de jaarlijkse 6000 gulden voor onderhoud te hoog. Jammer, eigenlijk. Zou het niet mooi geweest zijn als 'de hoel' nu geéntegreerd had kunnen worden in de nieuwe wijk die er nu gebouwd wordt? "En dan bij de piep links af, en dan is het het tweede huis aan de rechterkant"

Ter gelegenheid van het uitkomen van het boek van Rense Schuurmans over de geschiedenis van Udema hield Henk Nijkeuter een toespraak. Het doet mij deugd dat Henk bij de voorbereiding in ieder geval ook Het Collectieve Geheugen geraadpleegd heeft. Het onderstreept dat de hoel voor generatiegenoten dezelfde betekenis heeft gehad.

Henk begon zijn toespraak met een gedicht van Bart Veenstra over 'de hoel van Udema'. Bart Veenstra maakte dit gedicht bij het 'neerhalen' van de pijp.

de piep
die is
de piep
oetgaon

Veur 't kinneroog was het een reus
die as wel an de wolken rekte ...
Veur 't olderoog was het een piep,
zo maor een piep ...
Maor deeip in t'hart wol men wel weten,
Hie heurt bij t'darp ... hie heurt bij Geeiten

Moar mug e d'oorlog overleven,
En kreeg gien störm hum ooit van stee,
Now mus e ruumen, dizze tied,
die vrag um zukke smokers niet.
En 't volk van Geeiten reup ontdaon:
Oons piep ... die is de piep oetgaon.

' Het was deze fabriekspijp, die voor een groot gedeelte mijn jeugd bepaald heeft. Geboren in een duplex-woning in de Zuid-Es, bracht ik jaren daarna door in de Westerstraat. Het was een wijk waar voornamelijk werknemers van de fabriek woonden.

 

De fabriekspijp, om precies te zijn de fluittonen uit die pijp, bepaalde voor groot gedeelte de dagindeling: wanneer stond je op, en wanneer kwamen opa en vader thuis om te eten. In Gieten was het geluid van de stoompijp van Udema het instrument die de dag voor de inwoners structureerde. De hoel ging om half negen, om twaalf uur 's middags en naar ik meen te herinneren om vijf uur 's avonds. Als ik op een voetbalveldje aan de Heetkamp aan het voetballen was, gingen we net zolang door tot de hoel ging, want we wisten: dan was het bijna etenstijd. De hele dag hoorde je het gegil van de varkens, de op elkaar botsende vleesblikken en het gesis van de machinekamer. 's Middags om twaalf uur stroomde de fabriek leeg met arbeiders in witte overalls die thuis snel 'warm gingen eten'. Wij kinderen stonden vaak bij de poort en waren stille getuigen. Een fel contrast met de hectische weekdagen vormden de zondagen, op die dagen hoorde je het dominerende gekrijs van de meeuwen die boven de fabriek zweefden''.

"Hoe is het zo gekomen vroeg ik me af ? Achteraf gezien is het natuurlijk allemaal de schuld van mijn grootvader geweest. Als jongste zoon van een keuterboer uit Ees, was er voor hem op de boerderij geen plaats meer, want mijn twee vrijgezelle ooms bestierden de keuterij. Hendrik Nijkeuter moest op zoek naar ander werk en vond dat bij een slachterij in Gieten. Geen boerenarbeid, maar wel werk voor iemand, zoals Waldrik Udema het formuleerde, die de mouwen umhoog kun dooun. Eerst kwam hij op de fiets, maar al spoedig vond hij een kosthuis bij de familie Pronk, die ook bij Udema in dienst was. Hendrik kreeg een oogje op een van de dochters, Anna, bezwangerde haar en ze gingen trouwen. Mijn grootvader zou meer dan veertig jaar bij de fabriek blijven werken. Verrichtte hij aanvankelijk verschillende werkzaamheden, spoedig was er voor hem een plaats in het moorhok en werd hij 'de beul': de persoon die de halfverdoofde varkens moest steken. Het was vakwerk, want een slecht gestoken varken leverde slecht vlees op. Hij deed het met gevaar voor eigen leven, want de, vooral in de beginperiode slecht verdoofde, varkens spartelden nog wel eens tegen waardoor de dolken dikwijls door de lucht vlogen. De vele littekens op zijn handen en armen waren daarvan het bewijs. In de hoogtijdagen van de fabriek stak hij gemiddeld 2000 varkens per dag. Ook mijn vader werkte - bijna vanzelfsprekend- meer dan veertig jaar bij Udema. Hij werkte aanvankelijk in de garage en later in de technische dienst. Mijn vroegste herinneringen zijn dan ook de tochten naar kamp Schattenberg, waarvandaan Ambonese werknemers gehaald en gebracht werden. Ook herinner ik mij de tochten die ik met de chauffeurs op de vrachtauto's maakte: dikwijls mocht ik mee om bij de boeren varkens op te halen. Het Udematerrein was onze speelplaats. Langs de stinksloot, een open riolering met vleesresten van de varkens die tot in het Staatsbos liep, joegen wij op ratten. De stenen vonden wij op het rangeerterrein van de treinen. Van blikmateriaal en houtrestanten bouwden wij op een eilandje bij de fabriek een hut. En in het weekend klommen wij over de hekken van de fabriek. Een zo'n verboden tochtje was ook bijna mijn einde geweest. Achter de fabriek bevonden zich namelijk een aantal verraderlijke bezinkputten vol met drek. En op een dag stapte ik in zo'n bezinkput. Langzaam voelde ik dat ik ten onder ging in de drek en de drab van de put. Een van mijn vrienden uit de Westerstraat wist mij een kabel toe te gooien waardoor ik met moeite uit de put kon klimmen. De ondragelijke stank van mijn kleding viel niet te beschrijven. Mijn moeder weigerde ze te wassen: ze heeft ze dan ook verbrand.

In de winkel bij Udema kon je vlees kopen. Ik herinner me een grote witte, koude hal met een grote toonbank. Ter plaatse werd het vlees gehouwen en aan het einde van de toonbank kon je met een handgeschreven briefje de rekening betalen. Van de slager kreeg ik altijd een stukje worst.

Het zal u niet verbazen dat ik mijn vakantiebaantjes bij Udema heb doorgebracht. Ik heb op veel plaatsen in de fabriek gestaan. Aanvankelijk wilde ik graag in het moorhok bij mijn grootvader werken. Voor mijn opa een zware taak, want oma had hem natuurlijk duidelijke instructies meegegeven:"Hendrik pas op dat jong". Met een electrische prikker moest ik de varkens uit de stallen naar binnen drijven. Drie maanden na die tijd moest ik noodgedwongen een bezoek brengen aan de huisarts, want mijn benen bleven geel door de grote hoeveelheid amoniakzuur waarmee ik via de varkens in contact gekomen was. Daarna heb ik praktisch alles gedaan: hersenen uitgepulkt, niertjes, lever en strotten afgesneden, varkenskoppen gepeld en karbonades gesneden. Alleen op één plek heb ik niet gewerkt: het darmlokaal. Het bleek mij al snel dat de arbeiders van deze afdeling steeds een aparte plaats in de kantine innamen. De reden hiervoor was namelijk de vreselijke, indringende geur die rondom deze medewerkers hing. In al die jaren dat ik vakantiewerker bij Udema was, ben ik slechts één keer flauwgevallen. Dat jaar namelijk werkte ik in de schoonmaakdienst. Het waren onregelmatige tijden en het verdiende goed. Bij de silo's waar de kadavers van dode varkens, die naar de vetsmelterijen gingen, stonden opgesteld, maakte ik een ton met longafval open. De ton had al een week gestaan en door de lucht die hieruit tevoorschijn kwam, viel ik letterlijk achterover. Het veroorzaakte onder mijn collega's grote hilariteit, want zij wisten wel beter: zij hadden de afvalton al een week lang zorgvuldig vermeden!!! In die tijd overwoog ik werkelijk om diergeneeskunde te gaan studeren. In het noodabattoir waar veeartsen de varkens en de koeien opensneden, was ik steeds te vinden. Ik stond er op mijn neus bij en kreeg steevast een interessant college over de anatomie van het dode dier. Deze belangstelling heeft geduurd tot het moment waarop ik getuige was van het opensnijden van een volledig veretterd varken: schoolmeester leek mij daarna een schoner beroep, alhoewel.........  

Met de publicatie van dit boek is een monument opgericht voor dit voor Gieten zo belangrijke bedrijf. En terugdenkend aan die tijd, aan vroeger, overviel mij een gevoel van groot gemis. Een gemis aan geuren, geluiden, gebouwen, maar vooral aan personen die allen door de tijd zijn ingehaald. Denkend aan vroeger, vielen mij de regels van de Drentse dichter Hans Heyting in, die in het gedicht 'Verleuren paradies' de volgende regels schreef:

Het gung veurbij; de joaren hebt veurgoed Mij oet dat zommerparadies verdreven. De harfst is daor - en mij is overgebelevn, Heimwee en warmte, bezunken in mien bloed.

Henk Nijkeuter, 16 mei 2000

Terug naar: Persoonlijke notities

Zie ook: Udema-pagina